Bel ons +31 243 529 690

Zijn alle innovatieboxafspraken (materieel) beëindigd op 30 juni 2016?


Written by: Gert-Jan Hop Published: 2017-02-03



Met ingang van 1 januari jongstleden is het oude artikel 12b (Wet Vpb), dat ziet op de innovatiebox, aangepast en aangevuld overeenkomstig de internationale voorschriften met inachtneming van het OESO Actieplan 5. Momenteel zijn wij aan het beoordelen wat de nieuwe wetgeving, die (onder andere) terug te vinden is in de artikelen 12b, 12ba, 12bb, 12bc, 12bd, 12be, 12bf, 12bg en 34d betekent voor bestaande innovatieboxafspraken. De vraag is wat de waarde is van nog lopende innovatieboxafspraken die zien op de oude wetgeving, maar ook bijvoorbeeld wat de impact is voor bedrijven met een in 2016 aflopende afspraak of überhaupt geen innovatieboxafspraak. Van veel CFO’s en controllers horen wij namelijk dat zij gevrijwaard zijn, aangezien zij een langlopende afspraak hebben tot bijvoorbeeld 2018, 2019 of soms zelfs 2020. Het kost ons daarbij enige moeite om klanten uit te leggen dat deze afspraken materieel (naar onze mening) geen betekenis meer hebben. Het antwoord op deze vraag vergt enige toelichting. Daarom hebben wij ervoor gekozen ons antwoord aan een blog toe te vertrouwen.

Om te beginnen merken wij op dat de wijzigingen in de innovatiebox (formeel) in werking treden op 1 januari 2017. Voor ondernemingen die een gebroken boekjaar hebben, zijn de wijzigingen daarbij van toepassing op boekjaren die aanvangen na 1 januari 2017. Bedrijven met gebroken boekjaren kunnen derhalve de oude innovatiebox nog wat langer toepassen. Let wel, het overgangsrecht loopt tot en met boekjaren die uiterlijk eindigen op 30 juni 2021. Gelet op de internationale regelgeving en ook de bewoordingen van de overgangsbepaling zou dit naar onze mening materieel geen voordeel moeten kunnen bieden. Overeenkomstig paragraaf 63 uit OESO Actieplan 5 is Nederland namelijk verplicht om 30 juni 2016 als afbakeningsdatum te hanteren waarbij aanknoping gezocht wordt met de voortbrengingsdatum van immateriële vaste activa. De looptijd van innovatieboxafspraken of boekjaren staat daar in beginsel los van.

Het voorgaande heeft Nederland overeenkomstig toegepast in de bewoordingen van het overgangsrecht die zijn terug te vinden in artikel 34d. Hierbij is aangesloten bij (i) de voortbrengingsdatum van immateriële activa en (ii) de datum van toepassing van 12b in de aangiften over het jaar waar 1 juli 2016 deel van uitmaakt. De uitwerking van alle wijzigingen met ingang van 1 januari 2017 kent daarbij ‘slechts’ een praktische insteek. Vanuit de uitvoering bezien zou het anders een redelijk technische exercitie worden in een periode dat de belastingdienst al gekenmerkt wordt door capaciteitsproblemen. Het overgangsrecht voorziet erin dat de innovatieboxwetgeving, zoals die gold vóór 2017, van toepassing blijft op deze activa. Het overgangsrecht eindigt voor boekjaren die uiterlijk eindigen op 30 juni 2021, hetgeen wederom dwingend is voorgeschreven door OESO Actieplan 5 (paragraaf 65). Gelet op het voorgaande is het derhalve voor de praktijk van belang (en sterk samengevat) of bedrijven in hun aangifte 2016 wel of niet het oude artikel 12b toepassen.

Tot zover echter de theorie. In de dagelijkse praktijk is het namelijk gebruikelijk om over de toepassing van de innovatiebox met de belastingdienst afspraken te maken. Op het eerste gezicht lijken daarbij bestaande afspraken door te lopen (zoals veel mensen denken). In veel afspraken is immers een passage opgenomen waarin bepaald is dat de afspraak eindigt bij het intreden van een relevante wetswijziging met een verwijzing naar de inwerkingtredingsdatum daarvan (lees: 1 januari 2017 of 30 juni 2016en als een eventueel overgangsregime niet (meer) van toepassing is (lees: uiterlijk 30 juni 2021).

Strikt genomen impliceert dit dat de bestaande afspraak doorloopt met inachtneming van de overgangsperiode. De crux is echter dat het overgangsrecht weinig zegt over de uitgroei van bestaande afspraken. Deze uitgroei is echter wel noodzakelijk gelet op het feit dat het oude regime slechts betrekking heeft op immateriële vaste activa die zijn voortgebracht vóór 1 juli 2016. In zoverre zal er een afbakening moeten komen tussen de oude en de nieuwe innovatiebox op basis van voortgebrachte immateriële vaste activa. Met andere woorden: de oude regeling ziet op immateriële vaste activa die zijn voortgebracht vóór 1 juli 2016 en de nieuwe regeling op dergelijke activa die daarna zijn voortgebracht. Volledigheidshalve merken wij op dat er voor immateriële vaste activa die zijn voortgebracht in de periode 30 juni 2016 tot en met 1 januari 2017 ook een (naar onze mening) ‘versoepeling’ geldt. Dit gaat het bestek van dit blog echter te buiten.

De hiervoor bedoelde uitgroei is in dit verband een afspiegeling van de mate waarin de gereedgekomen kwalificerende activa aan de winst bijdragen, en is afgeleid van de levensduur van deze activa. Informeel hebben wij begrepen dat de belastingdienst voor de termijn van uitgroei in beginsel uitgaat van de termijn van ingroei onder de eerder afgesloten innovatieboxafspraak. Elk ander standpunt zal, zo verwachten wij, leiden tot discussie. Met andere woorden, een bedrijf dat een afspraak heeft tot 2019 waar bijvoorbeeld de innovatiebox in 4 jaar is ingegroeid kan onder artikel 34d in beginsel achtereenvolgens in 2017 (met uitgroei over een periode van 1,5 jaar), 2018 (met verdere uitgroei over een periode van 1 jaar), 2019 (met eveneens verdere uitgroei over een periode van 1 jaar) en (mogelijk) nog 6 maanden in 2020 de bestaande systematiek, zij het dus met uitgroei, toepassen.

Wij zijn momenteel in overleg met IE-advocaten om een beter beeld te krijgen over de levensduur van immateriële activa om daaruit argumenten te destilleren. Zoals gezegd verwachten wij dan wel dat bedrijven, ingeval van afwijking van de oorspronkelijke ingroeitermijn, flink wat uit te leggen hebben aan de belastingdienst. Bedrijven hebben immers met het ondertekenen van de ‘oude’ vaststellingsovereenkomsten ingestemd met een bepaalde periode van ingroei. Naar onze mening impliceert dit echter niet noodzakelijk dat de periode van ingroei identiek is aan de periode van uitgroei. Conceptueel zijn dit (naar onze mening) separate grootheden die ook nog eens per activum bepaald dienen te worden. Een eventuele discussie hierover zal zich met name manifesteren bij bedrijven waar het nieuwe regime niet van toepassing is (bijvoorbeeld grote bedrijven zonder patenten of andere kwalificerende immateriële activa).

Het feit dat het overgangsrecht gekoppeld is aan voortgebrachte immateriële vaste activa en niet zozeer aan formele afspraken impliceert overigens wel dat bedrijven waarvan de innovatieboxafspraken in 2016 of daarvoor al geëindigd zijn theoretisch niet in een slechtere positie zitten. Zij kunnen immers een afspraak maken voor de voortgebrachte immateriële vaste activa conform het overgangsrecht in latere jaren. Essentieel is daarbij wel dat in alle gevallen (langlopende afspraken of geen afspraken) het overgangsrecht van artikel 34d ingevuld dient te worden, hetgeen altijd in overleg met de belastingdienst dient plaats te vinden. Bedrijven die zekerheid wensen over de fiscale gevolgen t.a.v. hun oude afspraak moeten derhalve in overleg met de belastingdienst. Vaak zal dit gelijk lopen met een afspraak over de toepassing van de nieuwe innovatiebox (lees: de toepassing en invulling van de artikelen 12b, 12ba, 12bb, 12bc, 12bd, 12be, 12bf en 12bg). Voor bedrijven die niet in aanmerking komen voor de nieuwe regeling, bijvoorbeeld grote bedrijven zonder kwalificerende immateriële vaste activa, geldt dat zij slechts in overleg hoeven over de uitgroei van de bestaande afspraak.

Specifiek voor kleinere belastingplichtigen (gechargeerd: minder dan €50 mio. omzet) geldt overigens een tegemoetkoming. De innovatiebox zal voor deze bedrijven namelijk in veel gevallen onverkort van toepassing blijven overeenkomstig een tegemoetkoming die Nederland bedongen heeft (paragraaf 37 van OESO Actieplan 5). Wel gelden er enkele (administratieve) voorwaarden (vgl. artikel 12bg) waaraan voldaan dient te worden. Het gaat dan om documentatie waaruit blijkt dat de belastingplichtige één of meer kwalificerende immateriële activa bezit die door het bedrijf zelf zijn voortgebracht, wat de omvang is van de kwalificerende voordelen die het bedrijf verkrijgt uit deze immateriële activa en dat de kwalificerende voordelen worden bepaald op de meest passende wijze. Dit leest cryptisch en subjectief, maar onze verwachting is dat dit voor de meeste belastingplichtigen te onderbouwen is. Daarnaast dient dit pas onderbouwd te zijn tijdens het indienen van de aangifte 2017. Dan dient de belastingplichtige of zijn gemachtigde aan de belastingdienst te bevestigen dat bedrijf x heeft voldaan aan deze voorwaarden.

Wij verwachten overigens dat accountants en belastingadviseurs niet zonder meer zullen willen tekenen dat aan de vereisten voldaan wordt. Er is nog veel onduidelijkheid over wanneer nu exact wordt voldaan aan de administratieve voorwaarden. Er gelden overigens nog enkele andere voorwaarden, maar wij gaan er vanuit dat in nagenoeg alle gevallen de administratieve voorwaarden de belangrijkste gaan worden. Bedrijven kunnen overwegen de aangifte 2017 desnoods wat later in te dienen om te anticiperen op meer reflectievermogen bij de belastingdienst, maar ook bij de adviespraktijk. Vooralsnog verwachten wij dat hier niet snel akkoord op gegeven zal worden door de belastingdienst of alsdan pas na een intensieve onderbouwing die mogelijk met ‘hindsight’ pragmatisch(er) had kunnen worden ingevuld. Volledigheidshalve merken wij op dat dit onze mening is en geen advies. Wij komen hier op korte termijn in een separate blog op terug.

Wellicht ten overvloede en hoewel dit geen onderwerp is van deze blog merken wij op dat grote bedrijven een afspraak zullen moeten maken over (onder andere) de ingroei van voordelen t.a.v. hun immateriële activa, gekwalificeerd voor de nieuwe innovatiebox. In theorie zal , bij gelijkblijvende kwalificaties voor de oude en nieuwe regeling, daarbij de uitgroei van de oude regeling worden gecompenseerd door de ingroei in de nieuwe regeling. Dit is echter de theorie en het is nog maar de vraag of dit zich in veel gevallen zo zal manifesteren.

Volledigheidshalve en bezien vanuit een strategisch perspectief willen wij bedrijven meegeven dat er op veel punten van de overgangsregeling iets valt af te dingen. In zekere zin is de huidige regeling (nog) subjectiever dan de voorgaande. De vraag is echter of stevige standpuntinnames (bijv. de uitgroei) in de onderhandelingen met de belastingdienst bedrijven ook echt verder gaan helpen. Een meer pragmatische aanpak, waarbij niet op elk punt wordt afgedongen, kan voor de belastingplichtige uiteindelijk wellicht nog wel tot een betere uitkomst in de onderhandelingen met de belastingdienst leiden Wij kunnen ons daarbij voorstellen dat meer en gerichter gezocht wordt naar een onderbouwing van de per activum methodiek en een bredere TP onderbouwing. Dit draagt namelijk bij aan de beeldvorming en beleving. In elk geval zullen bedrijven zich dan beter herkennen in de innovatieboxafspraak.

Een positie innemen, zonder afstemming, die is ingestoken vanuit een meer internationaal perspectief, is een ander plan van aanpak dat mogelijk zou kunnen zijn. Immers, alle landen met een soortgelijk preferentieel IP regime zullen moeten voldoen aan dezelfde overkoepelende beginselen. Mogelijk kan hieruit inspiratie worden ontleend die bruikbaar is voor de Nederlandse innovatiebox. In dit verband zijn wij de relevante wetgeving en jurisprudentie in kaart aan het brengen. Tot slot merken wij op dat de contouren van innovatieboxafspraken worden uitgewisseld met andere landen. Dit vergt van de belastingdienst, maar ook van bedrijven een meer op transfer pricing gerichte aanpak. Voorkomen dient te worden dat de innovatieboxafspraak, die veelal een profit split methode is, leidt tot kostbare en tijdrovende TP geschillen.​​​​​​​​​​​​

Resumerend:

Bedrijven die nog geen oude afspraak hebben, kunnen deze over oudere jaren nog steeds verkrijgen. De nieuwe wetgeving sluit namelijk niet aan bij de datum van afspraken maar op de voortbrengingsdatum van immateriële activa.​​

  • Grote bedrijven (met gechargeerd meer dan € 50 mio. omzet) met een langlopende afspraak kunnen deze zonder afstemming met de belastingdienst naar onze mening niet langer toepassen. Er zal een aanvullende afspraak moeten komen over de uitgroei van de immateriële activa die zijn voortgebracht voor 30 juni 2016. 
  • Wij verwachten dat de uitgroei van de oude afspraak materieel gelijk zal zijn aan de ingroei van de nieuwe afspraak. Theoretisch kan hier een ander standpunt over worden ingenomen. Dit zal (educated guess) echter leiden tot (veel) discussie met de belastingdienst.
  • In veel gevallen zal de afstemming over uitgroei van de immateriële activa die is voortgebracht vóór 30 juni 2016 gelijktijdig plaatsvinden met afstemming inzake de toepassing van de nieuwe bepalingen 12b, 12ba, 12bb, 12bc, 12bd, 12be, 12bf en 12bg (lees: de nieuwe innovatiebox).
  • In alle gevallen dient bedacht te worden dat de innovatiebox nog subjectiever is geworden dan de voormalige regeling en dat de contouren van de afspraak worden uitgewisseld met buitenlandse belastingdiensten. In zoverre zijn de invalshoeken die de afspraak beïnvloeden toegenomen.
  • Wij verwachten terughoudendheid bij belastingadviseurs om zonder meer de modelverklaring te ondertekenen zonder afstemming met de belastingdienst. Dit kan tot onduidelijkheden leiden bij het toepassen van het goedkeuringsbesluit voor kleinere belastingplichtigen. Deze verklaring hoeft overigens pas tijdens het indienen van de aangifte 2017 te worden ondertekend.​

Op korte termijn zullen wij een blog publiceren over deze materie met daarbij enkele praktijkvoorbeelden. In dit verband merken wij ook nog op dat wij momenteel een boek aan het schrijven zijn over de nieuwe innovatiebox. Dit zal gedurende dit kwartaal gereed komen. ​​​​

Kom werken in een jong en ambitieus team.
Direct advies nodig?
Neem dan contact op met één van onze specialisten!​​​​