Belastingplan 2020 – belangrijkste wijzigingen voor het bedrijfsleven

Op Prinsjesdag is het belastingplan 2020 door minister Hoekstra aangeboden aan de tweede kamer. In dit nieuwsitem zal worden ingegaan op de belangrijkste fiscale wijzigingen vanuit het perspectief van het bedrijfsleven. Deze wijzigingen hebben betrekking op tariefswijzigingen, de invoering van de Wet bronbelasting 2020, herziening van de earningsstrippingmaatregel, aanpassingen aan de definitie van een vaste inrichting in het kader van het MLI, de aanpassingen van de S&O-afdrachtvermindering en de tonnageregeling. Deze onderwerpen zullen hierna achtereenvolgens worden besproken.


18 Sep. '19 6 min. Anthonie Knobbout

Tariefswijzigingen vennootschapsbelasting & innovatiebox

In het belastingplan 2019 werd een tariefsverlaging in de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet Vpb) voorgesteld. Met het belastingplan 2020 is echter gebleken dat deze verlaging nog op zich laat wachten. De verlaging van het hoge tarief zal pas vanaf 2021 plaatsvinden, waarbij de verlaging zal geschieden in minder grote stappen. Daarnaast bevat het belastingplan 2020 een verhoging van het heffingstarief op resultaten in de innovatiebox. In het Belastingplan 2020 is opgenomen dat dit tarief zal stijgen van 7% naar 9% met ingang van 1 januari 2021.

Wetsvoorstel Wet bronbelasting 2020

Per 1 januari 2021 gaat de Nederlandse wetgever een bronbelasting invoeren op rente- en royaltybetalingen naar laagbelastende jurisdicties en/of in gevallen van misbruik. Met deze beslissing komt een eind aan het uitgangspunt dat Nederland geen bronbelasting heft op uitgaande rente- en royaltybetalingen. Voor het heffen van die bronbelasting is een reële aanwezigheid in Nederland of in een laag belastende jurisdictie irrelevant, kortom, de bronbelasting zal worden geheven van bedrijven zonder ‘reële aanwezigheid’, maar ook van bedrijven met ‘reële aanwezigheid’.

De bronbelasting op rente- en royaltybetalingen naar laagbelastende jurisdicties geldt alleen voor betalingen aan gelieerde lichamen. Er is sprake van gelieerdheid indien de betalende of voordeelgerechtigde entiteit een kwalificerend belang (50% of meer van statutaire stemrechten) heeft in de andere entiteit. Voor het begrip gelieerdheid is aangesloten bij de jurisprudentie van het Hof van Justitie (zie hiervoor o.a. HvJ C-251/98, C-112/05). Er is sprake van een laagbelastende jurisdictie indien entiteiten in de desbetreffende jurisdictie niet, of naar een tarief van minder dan 9%, zijn onderworpen aan een winstbelasting. Bij de tariefseis gaat het om het algemeen geldende statutaire tarief over ondernemingswinsten.

De in te voeren bronbelasting zal ook gelden bij misbruiksituaties. Zo wordt voorkomen dat rente- en royaltybetalingen via een entiteit die is gevestigd in een niet-laagbelastende jurisdictie, worden betaald aan een entiteit die wel is gevestigd in een laagbelastende jurisdictie. De bronbelasting is ook verschuldigd bij kunstmatige constructies die is gericht op het verminderen van de heffingsgrondslag. Aangaande deze misbruiksituaties stelt de wetgever tevens voor om de rol van de huidige substance-eisen (deze gelden nu als safe harbour) te wijzigen.

Specifiek voor de in te voeren bronbelasting wordt een naheffingsmogelijkheid voorgesteld waarbij de inspecteur kan beslissen of de naheffingsaanslag bronbelasting wordt opgelegd aan de inhoudingsplichtige of de belastingplichtige. Daarnaast hoeft de inspecteur voor het opleggen van een naheffingsaanslag niet aannemelijk te maken dat te weinig belasting is geheven.

Herziening van de earningsstrippingmaatregel

De earningsstrippingmaatregel beperkt de aftrekbaarheid van het verschil tussen de rentelasten inzake geldleningen en de rentebaten inzake geldvorderingen (hierna: saldo aan renten). Aan de hand van een vast percentage (30%) van de ‘’earnings before interest, tax, depreciation en amortisation’’ (hierna: EBITDA), wordt het aftrekbare deel van dat saldo aan renten beperkt. Indien het bedrag van de aftrekbare rentelasten de belastbare rentebaten overschrijdt en derhalve een positief saldo aan betaalde renten resteert, wordt de aftrekbaarheid hiervan beperkt tot de hoogste optie van (i) maximaal 30% van de EBITDA van de belastingplichtige, of (ii) maximaal € 1 miljoen. Een mogelijk gevolg is dat een deel van het saldo aan renten in een jaar niet aftrekbaar is bij het bepalen van de genoten winst in desbetreffend jaar.

Om de rechtszekerheid en uitvoerbaarheid van de earningsstrippingmaatregel, welke op 1 januari 2019 is geïmplementeerd, te verbeteren, zijn in het belastingplan 2020 twee maatregelen voorgesteld. De eerste maatregel ziet op een beschikking die wordt afgegeven voor het voort te wentelen saldo aan renten. Deze kan worden herzien indien sprake is van een nieuw feit, kwade trouw of een voor de belastingplichtige redelijkerwijs kenbare fout. De herziening dient plaatst te vinden binnen 5 jaren na uitreiking van de beschikking.

De tweede maatregel stelt dat indien het voortgewentelde saldo aan renten van een eerder jaar in aftrek komt bij het bepalen van de winst in een later jaar, hiervoor een beschikking wordt afgegeven vanuit de fiscus. Dit draagt bij aan de rechtszekerheid voor de belastingplichtige. Genoemde maatregelen gelden eveneens voor beschikkingen die al zijn afgegeven. Er geldt namelijk een herzieningsmogelijkheid voor deze reeds afgegeven beschikkingen zodat bestaande en nieuwe beschikkingen gelijk worden behandeld.

Aanpassing definitie vaste inrichting in het kader van het MLI

Met betrekking tot het begrip ‘vaste inrichting’ wordt voorgesteld om in de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB), de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: LB) en de Wet Vpb aan te sluiten bij de definitie in het van toepassing zijnde belastingverdrag. Dit werkt onder andere door in de bepalingen in de Wet IB en Wet Vpb die betrekking hebben op buitenlands belastingplichtigen. Op deze manier bestaat in verdragssituaties geen verschil tussen de nationale heffingsbevoegdheid en het heffingsrecht dat Nederland toekomt op basis van het toepasselijk belastingverdrag.

Voor niet-verdragssituaties wordt met de opname van voornoemde definitie, in combinatie met enkele andere wijzigingen, bewerkstelligd dat de definitie van het begrip vaste inrichting voor de toepassing van de Wet IB, de Wet LB en de Wet Vpb aansluit bij de meest recente versie van het OESO-modelverdrag. Eveneens wordt aansluiting gevonden bij de wijzigingen aan de definitie van het begrip vaste inrichting die zijn aanbevolen in het eindrapport bij actiepunt 7 van het BEPS-project. Door bovengenoemde wijzigingen voor verdrags- en niet-verdragssituaties zal naar verwachting in meer gevallen sprake zijn van een vaste inrichting in de Wet IB, de Wet LB en de Wet Vpb.

Aanpassing S&O-afdrachtvermindering

Een van de voorgestelde wijzigingen met betrekking tot de huidige aanvraagsystematiek van de S&O-afdrachtverminderingen in de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (hierna: WVA) is het aantal aanvraagmomenten voor een S&O-verklaring uit te breiden van drie naar vier maal per jaar. Tevens wordt voorgesteld om het uiterste moment van het indienen van een aanvraag te stellen op de dag voorafgaand aan de periode waarop de aanvraag betrekking heeft, in plaats van ten minste een maand voorafgaand aan die periode. Deze maatregel is voorgesteld ter bevordering van de flexibiliteit van de regeling die vooral wenselijk is ingeval ontwikkelingswerkzaamheden een korte cyclus in beslag nemen. Omwille van de uitvoerbaarheid wordt hier een uitzondering op gemaakt met betrekking tot de periode rond Kerstmis en nieuwjaar, zodat kan worden gegarandeerd dat ook dan vanuit de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO) voldoende ondersteuning kan worden geboden ingeval aanvragers daar behoefte aan hebben. Voor aanvragen die betrekking hebben op de periode die ingaat op 1 januari van een kalenderjaar, wordt daarom voorgesteld de uiterste indieningsdatum te stellen op 20 december van het daaraan voorafgaande kalenderjaar. De derde voorgestelde wijziging betreft het toevoegen van een delegatiebepaling aan de WVA om bij ministeriële regeling regels te kunnen stellen voor de verschoonbaarheid van een termijnoverschrijding in geval van een verstoring van het digitale loket. De door de RVO reeds toegepaste praktijk bij dergelijke verstoringen wordt hiermee gecodificeerd.

Aanpassing tonnageregeling

De maatregelen in het belastingplan 2020 die betrekking hebben op de tonnageregeling beogen het tegengaan van verhuizen van zeescheepvaartondernemingen naar landen met een gunstig fiscaal klimaat. De Europese commissie (hierna: EC) heeft een drietal wijzigingen voorgesteld omtrent de Nederlandse tonnageregeling: (i) een plafond van 75% voor het jaartotaal van de nettodagtonnages voor schepen die niet varen onder de vlag van een EU/EER-land, (ii) reders zonder schepen die varen onder de vlag van een EU/EER-land kunnen geen gebruik meer maken van de tonnageregeling, en (iii) een beperking van de ruimte om winsten die toerekenbaar zijn aan niet-vervoerswerkzaamheden onder het bereik van de tonnageregeling te brengen.

Disclaimer

De informatie in dit blog is van algemene aard en heeft geen betrekking op de specifieke omstandigheden van een bepaald individu of een bepaalde entiteit. De informatie in dit blog is daarom bedoeld voor algemene informatieve doeleinden en kan niet als advies worden beschouwd. Hoewel we ernaar streven om nauwkeurige en tijdige informatie te verstrekken en er veel zorg is besteed aan het samenstellen van dit blog, kan er geen garantie worden gegeven dat dergelijke informatie correct is vanaf de datum waarop deze is ontvangen, of dat deze in de toekomst correct zal blijven. Niemand mag op basis van dergelijke informatie handelen zonder passend professioneel advies na een grondig onderzoek van de specifieke situatie. Wij aanvaarden geen enkele aansprakelijkheid voor de gevolgen die voortvloeien uit het gebruik van de informatie in deze publicatie.


Anthonie Knobbout

Anthonie Knobbout is an associate

Meer over Anthonie Knobbout

Terug